Hodgkin en non-Hodgkin zijn twee vormen van lymfeklierkanker (lymfoom). Dit betekent dat bepaalde witte bloedcellen, de lymfocyten, ongecontroleerd gaan groeien in de lymfeklieren. Je kunt het zien als kanker van het afweersysteem. Veel mensen kennen de termen Hodgkin en non-Hodgkin wel, maar weten niet precies wat het verschil is. De namen klinken vergelijkbaar, dus de vraag is logisch: Wat is beter te behandelen, Hodgkin of non-Hodgkin?
In deze inleiding leggen we kort uit wat Hodgkin-lymfoom en non-Hodgkin-lymfoom precies zijn. Vervolgens gaan we in op de oorzaken, symptomen, diagnose en behandeling van beide. Daarna vergelijken we hoe goed ze te behandelen zijn en wat de overlevingskansen zijn. Ook kijken we naar de ervaringen van patiënten en de kwaliteit van leven na de behandeling. Zo krijg je een duidelijk beeld van de verschillen én overeenkomsten tussen Hodgkin en non-Hodgkin. Belangrijk om alvast te benadrukken: beide zijn ernstige ziektes, maar er is gelukkig veel vooruitgang geboekt in de behandeling ervan. En natuurlijk kan alleen een arts jou persoonlijk adviseren over de beste behandeling in jouw situatie.
Laten we beginnen met een uitleg van wat Hodgkin en non-Hodgkin lymfomen precies inhouden.
Wat is Hodgkin-lymfoom?
Hodgkin-lymfoom, ook wel de ziekte van Hodgkin genoemd, is een zeldzame vorm van lymfeklierkanker. In Nederland krijgen elk jaar enkele honderden mensen deze diagnose. Vooral jongvolwassenen (rond 15-35 jaar) en een tweede groep op latere leeftijd (boven ~60 jaar) kunnen Hodgkin krijgen. De ziekte is vernoemd naar Thomas Hodgkin, de arts die het voor het eerst beschreef in de 19e eeuw.
Oorzaken: De precieze oorzaak van Hodgkin-lymfoom is niet bekend. Het ontstaat door een fout in een B-lymfocyt (een bepaald type witte bloedcel) die zich ongecontroleerd gaat delen. Waarom die fout ontstaat, is vaak onduidelijk – meestal is het gewoon pech. Hodgkin is niet besmettelijk en je kunt er zelf niets aan doen om het te voorkomen. Risicofactoren zijn niet heel duidelijk, al wordt soms een verband gezien met een eerdere infectie (bijvoorbeeld het Epstein-Barr virus dat klierkoorts veroorzaakt), maar lang niet iedereen met zo’n infectie krijgt Hodgkin. In het kort: iedereen kan het krijgen, al komt het relatief weinig voor.
Symptomen: Het eerste dat opvalt bij Hodgkin is vaak een pijnloze zwelling van een lymfeklier. Meestal zit zo’n “bobbel” in de hals (nek) of soms in de oksel of lies. Zo’n opgezette klier valt op doordat hij niet weggaat en langzaam groter wordt. In tegenstelling tot opgezette klieren door een infectie doet hij meestal geen pijn. Sommige mensen merken overigens helemaal niet veel, behalve die knobbel. Hodgkin kan lange tijd weinig klachten geven. Toch zijn er ook symptomen die kunnen voorkomen, zoals:
- B-symptomen: Dit is de verzamelnaam voor onverklaarbaar gewichtsverlies, koorts en nachtzweten. Deze klachten duiden erop dat de ziekte actiever is. Niet iedereen met Hodgkin heeft hier last van, maar als je bijvoorbeeld zonder reden veel afvalt of vaak ’s nachts badend in het zweet wakker wordt, is dat een alarmsignaal.
- Jeuk: Opvallend bij Hodgkin-lymfoom kan hevige jeuk over het hele lichaam zijn, zonder uitslag. Dit symptoom komt niet bij iedereen voor, maar wordt relatief vaak gemeld bij Hodgkin.
- Vermoeidheid en algehele malaise: Sommige mensen voelen zich erg moe of “niet zichzelf”. Dit is een heel algemeen symptoom dat bij veel ziektes kan passen, maar in combinatie met bovenstaande klachten kan het bij Hodgkin horen.
- Pijn na alcohol: Heel zeldzaam, maar kenmerkend voor Hodgkin, is pijn in de aangedane lymfeklieren kort na het drinken van alcohol. Dit is echter een minder bekend verschijnsel en komt niet bij iedereen voor.
Omdat deze klachten ook bij andere, minder ernstige oorzaken kunnen optreden, is het belangrijk om bij twijfel naar de huisarts te gaan. Een langdurig (>2 weken) opgezwollen lymfeklier die niet verdwijnt, moet altijd onderzocht worden.
Diagnose: Als de dokter Hodgkin-lymfoom vermoedt, zal er onderzoek plaatsvinden. Meestal gebeurt er eerst lichamelijk onderzoek en bloedonderzoek. Uiteindelijk is de definitieve diagnose alleen te stellen met een biopsie: er wordt onder verdoving een stukje weefsel uit de lymfeklier weggenomen voor onderzoek. Een patholoog bekijkt dit onder de microscoop. Bij Hodgkin vindt men daarbij typische grote afwijkende cellen (genoemd Reed-Sternberg-cellen) die bij non-Hodgkin niet aanwezig zijn. Aan de hand van de biopt kan de arts dus bevestigen of het Hodgkin-lymfoom is. Daarnaast worden beeldvormende scans gedaan, zoals een CT-scan of PET-scan, om te zien waar in het lichaam de lymfomen zich bevinden en hoe ver de ziekte zich heeft verspreid (dit noemt men het stadium). Soms wordt ook het beenmerg onderzocht om te kijken of de ziekte daar zit. Al deze informatie is belangrijk om het ziektebeeld in kaart te brengen.
Behandeling: De behandeling van Hodgkin-lymfoom is de afgelopen decennia sterk verbeterd. Welke behandeling je krijgt, hangt af van het stadium en enkele andere factoren (zoals je leeftijd en conditie). Over het algemeen bestaat de behandeling uit combinaties van chemotherapie. Chemotherapie zijn sterke medicijnen (cytostatica) die kankercellen doden of hun deling stoppen. Bij Hodgkin-lymfoom krijgt men meestal meerdere kuren chemotherapie via een infuus, verspreid over enkele maanden. Vaak wordt een vast schema aangehouden (bijvoorbeeld het ABVD-schema, vernoemd naar de initialen van de medicijnen). Als de tumor alleen op een paar plekken zit, wordt na de chemo soms nog radiotherapie (bestraling) gegeven op die specifieke plekken, om alle kankercellen daar te vernietigen. In sommige gevallen wordt ook immuuntherapie ingezet. Immuuntherapie is een behandeling die het eigen afweersysteem helpt om de kankercellen op te sporen en te bestrijden. Voor Hodgkin-lymfoom zijn er bijvoorbeeld monoklonale antilichamen (gerichte medicijnen) ontwikkeld die zich aan de Hodgkin-cellen hechten en ze onschadelijk maken. Dit wordt vooral gebruikt als de standaard chemo niet voldoende werkt of de ziekte terugkomt. Stamceltransplantatie kan ook in beeld komen als de ziekte na behandeling terugkeert of resistent is; hierbij worden eerst alle kankercellen zoveel mogelijk vernietigd met zeer zware chemo, en daarna krijgt de patiënt zijn eigen stamcellen (of van een donor) terug om het beenmerg te herstellen.
Prognose bij Hodgkin: Hodgkin-lymfoom is over het algemeen heel goed te behandelen. Sterker nog, het behoort tot de best behandelbare vormen van kanker. De meeste patiënten – vooral jongere – genezen volledig. In cijfers uitgedrukt: ongeveer 90% van de mensen met Hodgkin-lymfoom overleeft de ziekte. Vooral in een vroeg stadium is de genezingskans hoog. Zelfs bij meer uitgezaaide Hodgkin (stadium III-IV) zijn de kansen nog steeds aanzienlijk. Dankzij de uitgebreide behandelingsmogelijkheden is de vooruitblik vaak positief. Na twee jaar ziekte-vrij is de kans op terugkeer van Hodgkin erg klein, en na vijf jaar wordt meestal gesproken van genezing. Natuurlijk verschilt het per individu – factoren zoals het stadium bij diagnose en de algehele gezondheid van de patiënt spelen mee – maar over het geheel genomen is Hodgkin-lymfoom een vorm van kanker die in de meeste gevallen curatief (met de bedoeling tot genezing) behandeld wordt.
Wat is non-Hodgkin-lymfoom?
Non-Hodgkin-lymfoom (afgekort NHL) is eigenlijk een verzamelnaam voor alle vormen van lymfeklierkanker die niét de ziekte van Hodgkin zijn. Waar Hodgkin-lymfoom één specifieke ziekte is, bestaat non-Hodgkin-lymfoom uit meer dan dertig verschillende subtypen. Al deze subtypen hebben met elkaar gemeen dat ze ontstaan in de lymfocyten (witte bloedcellen) van het immuunsysteem, maar ze kunnen zich op verschillende manieren gedragen. Non-Hodgkin komt vaker voor dan Hodgkin; in Nederland krijgen jaarlijks enkele duizenden mensen een non-Hodgkin-lymfoom, met name op oudere leeftijd.
Oorzaken: Net als bij Hodgkin is de precieze oorzaak van een non-Hodgkin-lymfoom meestal niet aanwijsbaar. Het is meestal een spontane fout in het DNA van een lymfocyt. Wel zijn er een paar bekende risicofactoren. Een verzwakt immuunsysteem kan de kans verhogen – bijvoorbeeld bij mensen met HIV of die medicijnen gebruiken die de afweer onderdrukken (zoals na een orgaantransplantatie). Bepaalde infecties kunnen ook een rol spelen bij specifieke subtypes van non-Hodgkin. Zo is er een maaglymfoom dat samenhangt met een bacterie (H. pylori) in de maag, en bepaalde virussen (bijvoorbeeld hepatitis C of Epstein-Barr) zijn gelinkt aan specifieke lymfoomsoorten. Maar in de meeste gevallen is er geen duidelijke uitlokker en krijgt iemand “zomaar” een non-Hodgkin-lymfoom. Het is belangrijk te beseffen dat het niet jouw schuld is en dat je het niet had kunnen voorkomen.
Symptomen: De symptomen van non-Hodgkin-lymfoom lijken deels op die van Hodgkin, maar kunnen ook variëren afhankelijk van het type en waar in het lichaam het zich afspeelt. Vaak is een vergrote lymfeklier (of meerdere) weer het eerste teken. Bij non-Hodgkin kan dit niet alleen in de hals, oksels of liezen zijn, maar ook diep in het lichaam (bijvoorbeeld in de borstkas of buikholte). Zwellingen in de buik kunnen een opgeblazen gevoel of buikpijn geven, en zwellingen in de borstkas kunnen hoesten of benauwdheid veroorzaken. Uitwendige klieren (zoals in hals of oksel) voelen meestal ook niet pijnlijk aan, net als bij Hodgkin.
Daarnaast kunnen B-symptomen ook bij non-Hodgkin voorkomen: dus onbedoeld gewichtsverlies, koorts en nachtelijk zweten. Vooral bij agressieve vormen zie je deze algemene ziekteverschijnselen vaak duidelijk. Vermoeidheid is eveneens een vaak gehoorde klacht. Soms raakt ook het beenmerg betrokken bij non-Hodgkin, waardoor een tekort aan normale bloedcellen kan ontstaan (bloedarmoede met moeheid, of meer infecties door een tekort aan witte bloedcellen, etc.).
Het beloop van de ziekte verschilt sterk per subtype:
- Indolente (langzaam groeiende) lymfomen: Deze vormen groeien zeer langzaam. Klachten blijven in het begin vaak mild. Je kunt maanden of zelfs jaren met een indolent lymfoom rondlopen zonder ernstige symptomen. Een voorbeeld is het folliculair lymfoom, een veelvoorkomend langzaam groeiend type. Indolente lymfomen zijn vaak niet helemaal te genezen, maar wel lang onder controle te houden.
- Agressieve (snel groeiende) lymfomen: Deze vormen groeien snel en maken je ook snel ziek. Binnen korte tijd kunnen er duidelijke klachten ontstaan, en zonder behandeling kan een agressief lymfoom binnen enkele maanden ernstig en levensbedreigend worden. Een voorbeeld van een agressief lymfoom is diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL), één van de meest voorkomende NHL-subtypen. Het goede nieuws is dat agressieve lymfomen vaak wel gevoeliger zijn voor chemotherapie, waardoor een deel ervan kan genezen bij tijdige behandeling.
Diagnose: Ook bij non-Hodgkin is een biopsie van een aangedane lymfeklier of weefsel nodig om de diagnose te bevestigen. Omdat er zoveel subtypes zijn, zal de patholoog het weefsel uitgebreid analyseren (met speciale kleuringen en testen) om precies te bepalen om welk type lymfoom het gaat. Dit is belangrijk, want de behandeling stemt men daarop af. Daarnaast worden opnieuw scans zoals een CT en/of PET-scan gemaakt om te kijken waar de ziekte zich bevindt en hoe ver deze is verspreid (stadiëring). Soms zijn aanvullende onderzoeken nodig, bijvoorbeeld een beenmergpunctie (om te zien of het lymfoom in het beenmerg zit) of een lumbaalpunctie (bij sommige typen die mogelijk in het zenuwstelsel zitten). De arts zal op basis van alle informatie het type non-Hodgkin en het stadium bepalen.
Behandeling: De behandeling van non-Hodgkin-lymfoom is minder uniform dan bij Hodgkin, omdat het zo afhangt van het subtype. Over het algemeen worden wel vergelijkbare methoden ingezet:
- Chemotherapie: Voor veel soorten non-Hodgkin is chemo de belangrijkste behandeling. Vaak wordt een combinatie van meerdere middelen gegeven (een chemokuur). Een bekend schema voor agressieve B-cellymfomen is bijvoorbeeld CHOP, meestal gecombineerd met immunotherapie.
- Immunotherapie / gerichte therapie: Bij vrijwel alle veelvoorkomende B-cel non-Hodgkinlymfomen voegt men tegenwoordig immunotherapie toe aan de chemo. Dit bestaat vaak uit een monoklonaal antilichaam dat de kankercellen herkent en het immuunsysteem helpt deze op te ruimen. Een voorbeeld is rituximab, een gericht medicijn dat zich bindt aan B-lymfomen. Deze combinatie van chemo + immunotherapie is de standaardbehandeling voor veel B-cel lymfomen. Bij andere subtypen bestaan er weer andere gerichte medicijnen. Ook nieuwere vormen van immuuntherapie, zoals CAR-T-celtherapie (waarbij eigen afweercellen genetisch worden aangepast om de kanker aan te vallen), worden ingezet bij sommige moeilijk te behandelen lymfomen.
- Bestraling: Radiotherapie kan worden gebruikt als aanvulling, bijvoorbeeld als een lymfoom zich op één plek bevindt. Soms kan bij een zeer lokaal indolent lymfoom bestraling alleen al genezend zijn. Bij agressieve lymfomen wordt bestraling soms toegepast op een bulk tumor of residu na chemo, of als pijnverlichting bij uitzaaiingen.
- Watchful waiting (afwachtend beleid): Opvallend bij sommige indolente lymfomen is dat als de ziekte weinig klachten geeft, de arts niet meteen hoeft te behandelen. Je wordt dan goed in de gaten gehouden met regelmatige controles, en pas wanneer er echt activiteit of groei optreedt, start men een behandeling. Dit voorkomt dat je zwaardere therapie krijgt terwijl je er nog geen last van hebt.
- Stamceltransplantatie: Indien een agressief lymfoom terugkeert na de eerste behandeling, kan een stamceltransplantatie worden overwogen (net als bij Hodgkin). Eerst krijg je dan een zeer intensieve chemokuur om de lymfoomcellen zoveel mogelijk te vernietigen, en daarna worden eigen stamcellen (afgenomen vooraf) teruggegeven om je bloedaanmaak te herstellen. Dit wordt vooral bij relatief jongere en sterke patiënten gedaan, omdat het een zware behandeling is. Voor sommige indolente lymfomen kan ook een stamceltransplantatie of nieuwe medicijnen ingezet worden als ze steeds terugkomen, om zo de ziekte weer in remissie te krijgen.
Prognose bij non-Hodgkin: Door de enorme variatie in subtypes is er geen simpel antwoord op de prognose. Sommige non-Hodgkinlymfomen zijn uitstekend te behandelen en zelfs te genezen, andere zijn chronisch van aard en komen telkens terug. Over het algemeen is de vooruitgang in de behandeling groot: de overlevingscijfers van non-Hodgkin zijn in de afgelopen decennia verbeterd. Toch is de kans op genezing gemiddeld lager dan bij Hodgkin-lymfoom. Indolente lymfomen kunnen vaak wel lange tijd onder controle worden gehouden (soms leven mensen er tientallen jaren mee), maar helemaal genezen is lastig. Agressieve lymfomen kunnen bij succesvolle behandeling genezen, maar als de behandeling niet aanslaat of de ziekte terugkomt, kan het verloop ernstig zijn. Het is dus heel afhankelijk van het specifieke geval. We gaan hierna wat dieper in op de factoren en cijfers omtrent de overlevingskansen.
Behandelbaarheid vergeleken
Nu we weten wat Hodgkin- en non-Hodgkinlymfomen zijn, kunnen we de centrale vraag beantwoorden: welke van de twee is beter te behandelen? Kort gezegd: Hodgkin-lymfoom is over het algemeen makkelijker te genezen dan non-Hodgkin-lymfoom. Artsen zeggen wel eens (enigszins wrang): “Als je dan toch lymfeklierkanker krijgt, dan liever Hodgkin.” Dit komt doordat de genezingskans bij Hodgkin-lymfoom hoger is en de behandeling in veel gevallen effectief is.
Waarom is Hodgkin doorgaans beter behandelbaar? Enkele redenen:
- Hodgkin-lymfoom is één ziekte met relatief voorspelbaar gedrag. De kanker ontstaat meestal op één plek en verspreidt zich geleidelijk via aangrenzende lymfeklieren. Bovendien is er één hoofdtype cel dat kwaadaardig is (de Reed-Sternberg cel), die gevoelig blijkt voor de beschikbare chemotherapie. Er is wereldwijd veel ervaring met één standaardbehandeling (zoals ABVD-chemotherapie) die bij het merendeel van de Hodgkin-patiënten goed aanslaat. Hierdoor zijn de uitkomsten erg goed te noemen.
- Non-Hodgkin is een verzamelnaam voor veel verschillende ziekten. Sommige daarvan reageren uitstekend op behandeling, maar andere zijn lastiger. Er is niet één “truc” of standaardkuur die bij alle non-Hodgkinlymfomen werkt. Het behandelplan moet dus op maat worden gemaakt voor het subtype. Dit betekent ook dat de prognose sterk varieert. Een langzaam groeiend type dat nauwelijks klachten geeft, behandel je heel anders dan een agressief type dat iemand binnen weken ernstig ziek maakt. Die veelzijdigheid maakt dat we niet in algemene zin kunnen zeggen dat non-Hodgkin simpel te behandelen is – het hangt echt af van het type.
- Patiëntkenmerken spelen ook mee. Hodgkin-patiënten zijn vaak jonger en kunnen zware chemo vaak beter verdragen, wat de kans op genezing vergroot. Non-Hodgkin komt vaker op oudere leeftijd voor, waardoor patiënten soms kwetsbaarder zijn en de behandeling moet worden aangepast aan hun conditie. Ook andere factoren, zoals bijkomende ziekten, kunnen de behandelkeuze beïnvloeden.
Dat wil niet zeggen dat non-Hodgkin niet goed te behandelen is – veel patiënten met non-Hodgkin knappen ook enorm op met de juiste therapie. Maar in het algemeen ligt het percentage mensen dat helemaal geneest bij non-Hodgkin lager dan bij Hodgkin. Hodgkin-lymfoom heeft dus de reputatie “makkelijker te genezen” te zijn. Non-Hodgkin wordt vaker een chronische ziekte genoemd, vooral de indolente types die telkens kunnen terugkeren. Bij agressieve non-Hodgkin is vaak genezing het doel, maar dat lukt in een wat kleiner deel van de gevallen dan bij Hodgkin.
Samengevat: Hodgkin-lymfoom is meestal beter te behandelen dan non-Hodgkin-lymfoom, omdat de behandelingen bij Hodgkin een hoger slagingspercentage hebben. Non-Hodgkin is erg divers: sommige vormen zijn bijna net zo goed te behandelen als Hodgkin, terwijl andere vormen een langduriger traject of herhaalde behandelingen vereisen. In de volgende sectie bespreken we de overlevingskansen en prognoses in meer detail, om dit verschil verder te illustreren.
Overlevingskansen en prognose
De overlevingskansen bij lymfeklierkanker hangen af van veel factoren. In het algemeen geldt dat Hodgkin-lymfoom een hogere overleving en genezingskans heeft dan non-Hodgkin-lymfoom, maar binnen non-Hodgkin zijn er grote verschillen. Laten we eens naar enkele cijfers en factoren kijken.
Enkele overlevingscijfers: (Let op: overlevingspercentages geven aan hoeveel mensen na een bepaalde tijd nog in leven zijn. Het betekent niet automatisch dat ze genezen zijn – een deel kan nog ziekte hebben of later terugval krijgen. Dit zijn gemiddelden; individuele prognoses kunnen beter of slechter zijn.)
- Hodgkin-lymfoom: ongeveer 88% van de patiënten is vijf jaar na de diagnose nog in leven. Na tien jaar is dat circa 84%. Dit hoge percentage laat zien hoe effectief de behandeling doorgaans is.
- Non-Hodgkin-lymfoom (alle typen gemiddeld): ongeveer 75% van de patiënten is vijf jaar na diagnose in leven. Ter vergelijking: rond 1990 was dit nog rond de 50%, dus de vooruitgang is groot. Tegenwoordig overleeft ongeveer driekwart de eerste vijf jaar, mede dankzij betere behandelingen.
- Agressieve non-Hodgkin (voorbeeld: DLBCL): circa 60-65% van de patiënten leeft ten minste vijf jaar na de diagnose. Na tien jaar is ongeveer 53% nog in leven. Dit geeft aan dat ongeveer de helft uiteindelijk geneest, terwijl de rest helaas een terugval krijgt of aan de ziekte overlijdt.
- Indolente non-Hodgkin: de vijfjaarsoverleving ligt hoger, rond 85%. Veel mensen met een langzaam lymfoom leven dus nog lange tijd na de diagnose. Echter, na tien jaar daalt dit naar ongeveer 74%. Dit komt doordat indolente lymfomen vaak terugkomen of op lange termijn toch problemen geven. Men kan er lang mee leven, maar uiteindelijk kan zo’n lymfoom toch fataal worden (of overgaan in een agressievere vorm).
Factoren die de prognose beïnvloeden:
- Stadium bij diagnose: Zowel bij Hodgkin als non-Hodgkin geldt dat hoe eerder de ziekte ontdekt wordt, hoe beter de vooruitzichten. In een beperkt stadium (I of II, ziekte op één of enkele plekken) is de kans op genezing veel groter dan wanneer het lymfoom al wijd verspreid is door het lichaam (stadium III of IV) bij diagnose. Bijvoorbeeld, Hodgkin-lymfoom in een vroeg stadium is in de meeste gevallen te genezen, terwijl bij stadium IV de behandeling intensiever is en de overleving wat lager ligt (maar nog steeds goed vergeleken met veel andere kankers).
- Leeftijd en conditie: Jongere patiënten hebben doorgaans een betere prognose. Ze kunnen zware behandelingen aan en herstellen vaak sneller. Oudere patiënten of mensen met andere gezondheidsproblemen (zoals hartziekten, diabetes, etc.) lopen meer risico op complicaties en soms moeten behandelingen aangepast of gedoseerd worden, wat invloed kan hebben op de effectiviteit.
- Subtype van lymfoom: Bij non-Hodgkin is dit een van de belangrijkste factoren. Elk subtype heeft zijn eigen biologische eigenschappen. Sommige typen groeien snel maar zijn gevoelig voor chemo, andere groeien traag maar zijn moeilijk definitief weg te krijgen. Zelfs binnen agressieve of indolente categorieën bestaan verschillen. De prognose van een diffuus grootcellig B-lymfoom (agressief, maar vaak goed te behandelen) is anders dan die van bijvoorbeeld een perifere T-cellymfoom (ook agressief, maar moeilijker te behandelen), om een voorbeeld te geven. Artsen gebruiken prognostische indexen om bij agressieve lymfomen het risico in te schatten – daarbij kijken ze naar zaken als leeftijd, stadium, bepaalde bloedwaarden, etc.
- Behandelrespons: Hoe goed het lymfoom reageert op de eerste behandeling is zeer bepalend. Als na een paar kuren chemo de scans laten zien dat er geen actieve ziekte meer is (complete remissie), zijn de vooruitzichten veel beter. Bij Hodgkin-lymfoom bereiken de meeste patiënten na de primaire behandeling zo’n remissie. Bij non-Hodgkin lukt dit ook vaak, maar als het niet lukt of als er restziekte blijft, dan is de prognose minder gunstig en moet men naar tweedelijns behandelingen grijpen.
- Terugval of transformatie: Een terugkeer van de ziekte (recidief) verslechtert de prognose, omdat een teruggekomen lymfoom vaak lastiger te behandelen is dan de eerste keer. Toch zijn er dan nog opties (zoals stamceltransplantatie of nieuwe medicijnen), maar de kans op volledig herstel neemt af. Bij indolente lymfomen speelt nog iets: ze kunnen na jaren overgaan in een agressiever type (dit heet transformatie). In zo’n geval verandert het ziektebeeld en wordt de behandeling anders, meestal zwaarder, en de prognose wordt dan bepaald door die agressieve vorm.
Het is duidelijk dat “overlevingskansen” statistieken zijn voor groepen patiënten en dat individuele gevallen kunnen afwijken. Sommige mensen met een gevorderd non-Hodgkin-lymfoom kunnen toch nog jarenlang leven of zelfs genezen, terwijl iemand met een ogenschijnlijk gunstig Hodgkin-lymfoom toch complicaties kan krijgen. Daarom is het belangrijk deze cijfers altijd met de arts te bespreken, in de context van jouw specifieke situatie. Artsen kunnen aan de hand van de genoemde factoren een inschatting geven die beter past bij jouw geval.
Ervaringen en levenskwaliteit
Hoe is het leven na de behandeling van een lymfoom? Dit hangt sterk af van het verloop van de ziekte en de behandeling, maar we kunnen een paar algemene dingen zeggen.
Tijdens de behandeling: De periode van behandeling (chemo, bestraling etc.) is zwaar, zowel fysiek als mentaal. Patiënten met zowel Hodgkin als non-Hodgkin ervaren vaak bijwerkingen van chemotherapie, zoals vermoeidheid, misselijkheid, haaruitval en een verminderde weerstand (waardoor je sneller infecties kunt krijgen). Gelukkig zijn veel bijwerkingen tijdelijk. Artsen geven vaak ondersteunende medicatie (tegen misselijkheid bijvoorbeeld) en tips om hier mee om te gaan. Het helpt ook om tijdens de behandeling, voor zover mogelijk, gezond te blijven eten en een beetje in beweging te blijven. Steun van familie en vrienden is in deze fase erg belangrijk. Veel mensen geven aan dat het mentaal een rollercoaster is: je krijgt ineens te maken met de diagnose kanker, verschillende ziekenhuisbezoeken en onzekerheid over de toekomst. Toch putten patiënten vaak hoop uit het feit dat lymfeklierkanker in veel gevallen goed behandelbaar is.
Direct na de behandeling: Als de behandeling aanslaat, kom je hopelijk in remissie (dat betekent dat er geen actief kanker meer te zien is). Dit is natuurlijk geweldig nieuws, maar het kan ook een emotioneel lastige periode zijn. Je gaat van het “vechten” in het ziekenhuis naar het gewone leven terug. Veel mensen voelen zich nog lang moe; het duurt soms maanden voordat je je energie terug hebt. Ook moeten bijvoorbeeld je haren weer teruggroeien en kan je conditie verminderd zijn. Het is belangrijk om de tijd te nemen om te herstellen. Vaak worden er controles gepland (bijvoorbeeld elke paar maanden) om te kijken of de ziekte wegblijft. Die eerste jaren na de behandeling zijn spannend – elke scan of controle is weer even duimen dat alles nog goed is. Angst voor terugkeer (relapse) is normaal, en wordt na verloop van tijd vaak minder. Als er de eerste paar jaar geen nieuwe tekenen van ziekte zijn, wordt de kans steeds groter dat je echt genezen blijft (voor Hodgkin geldt dat na 5 jaar ziektevrij de kans op terugkeer heel klein is).
Op lange termijn (late effecten): Mensen die genezen zijn van Hodgkin of een agressief non-Hodgkin-lymfoom kunnen daarna vaak weer een normaal leven leiden: werken, sporten, gezin stichten – het kan allemaal weer. Veel jongeren pakken hun studie weer op of gaan (deels) aan het werk tijdens of na hun herstel. Wel kunnen er late effecten zijn van de behandeling. “Late effecten” zijn gezondheidsproblemen die pas jaren na de behandeling optreden als gevolg van de chemo of bestraling die je gehad hebt. Voorbeelden zijn hart- en vaatziekten (chemo kan op het hart invloed hebben, bestraling in de borstkas kan later de bloedvaten beïnvloeden) of een iets verhoogd risico op een nieuwe vorm van kanker vele jaren later (omdat chemo en bestraling ook gezonde cellen kunnen beschadigen). Bij Hodgkin-patiënten die op jonge leeftijd intensief behandeld zijn, blijft men vaak levenslang medisch wat vinger aan de pols houden om dit soort late gevolgen vroeg op te sporen. Ook vruchtbaarheid kan een issue zijn: sommige chemokuren kunnen onvruchtbaarheid veroorzaken. Daarom bespreken artsen dit vaak vooraf met jongere patiënten. Mannen kunnen sperma laten invriezen, vrouwen soms eicellen of eierstokweefsel, voor het geval de natuurlijke vruchtbaarheid na de behandeling vermindert. Gelukkig blijft een deel van de patiënten vruchtbaar en zijn er na behandeling gezonde kindjes geboren bij voormalige lymfoom-patiënten.
Chronisch traject: Voor mensen met een indolent non-Hodgkin-lymfoom, of voor wie de ziekte niet volledig weggaat, is het leven na de behandeling iets anders. Soms is de ziekte chronisch aanwezig. Dat wil zeggen: het is niet weg, maar het groeit zo langzaam of veroorzaakt zo weinig last dat je er mee kunt leven. Je krijgt dan wellicht periodiek behandelingen om het onder controle te houden (bijvoorbeeld elke paar jaar een nieuwe kuur als het weer opvlamt). Leven met kanker als chronische ziekte is mentaal best zwaar; je weet dat het ergens sluimert. Toch geven veel mensen aan dat ze tussen de behandelingen door een vrij normaal leven kunnen leiden en proberen om niet continu bezorgd te zijn. Het is een kwestie van regelmatige controles en bij klachten snel aan de bel trekken. De arts zal duidelijk maken welke symptomen je in de gaten moet houden. Sommige patiënten gaan na verloop van tijd toch nog voor genezing, bijvoorbeeld met een stamceltransplantatie als het echt nodig is, maar anderen blijven jarenlang in een cyclus van behandeling en remissie.
Psychosociaal en kwaliteit van leven: Zowel Hodgkin als non-Hodgkin patiënten ervaren dat zo’n diagnose je leven op z’n kop zet. Tijdens de ziekte leer je omgaan met angst en onzekerheid. Na de behandeling kan het even duren voordat je het vertrouwen in je lichaam terug hebt. Het helpt om erover te praten – met vrienden, een psycholoog of lotgenoten. Er zijn patiëntenorganisaties (zoals Hematon in Nederland) waar mensen hun ervaringen delen en steun vinden bij elkaar. Gelukkig verbetert de kwaliteit van leven meestal weer naarmate de tijd vordert. Veel ex-patiënten geven aan dat ze het leven intenser zijn gaan waarderen na hun ziekte. Dingen als familie, hobby’s en dagelijks werk krijgen vaak een nieuwe betekenis. Tegelijkertijd zijn er ook degenen die het lastig vinden om de draad weer op te pakken, bijvoorbeeld door langdurige vermoeidheid of concentratieproblemen (ook wel “chemo-brein” genoemd). Het is belangrijk te weten dat hulp beschikbaar is: revalidatieprogramma’s, nazorg door het ziekenhuis en lotgenotengroepen kunnen ondersteunen in het herstel.
Samengevat: na de behandeling van Hodgkin of non-Hodgkin is de kans groot dat je je leven op den duur weer kunt vervolgen zoals voorheen, vooral als de ziekte weg is. Maar het is een proces met ups en downs. Je fysieke herstel kost tijd en mentaal moet je alles een plek geven. Veel mensen lukt dit uiteindelijk prima, zij het met een nieuw perspectief op het leven. Anderen houden wat restklachten waar ze mee leren omgaan. In alle gevallen geldt: je staat er niet alleen voor. Het medische team blijft je een tijd volgen en bij eventuele problemen kunnen ze vaak helpen. Aarzel niet om vragen te stellen of hulp te zoeken bij lichamelijke of psychische klachten na kanker.
Conclusie
Kortom, Hodgkin-lymfoom en non-Hodgkin-lymfoom zijn beide vormen van lymfeklierkanker, maar ze verschillen op diverse vlakken. Hodgkin is zeldzamer en kent een zeer hoog genezingspercentage met de juiste behandeling. Non-Hodgkin is eigenlijk een hele familie van lymfomen, waarvan sommige goed behandelbaar zijn en andere meer uitdagend. Over het algemeen geldt dat Hodgkin beter te behandelen is dan non-Hodgkin, in de zin dat de kans op volledige genezing bij Hodgkin hoger ligt. Bij non-Hodgkin hangt het sterk af van het type: indolente vormen kun je vaak lang onder controle houden (maar niet altijd genezen), terwijl agressieve vormen met succes te genezen kúnnen zijn, maar niet in alle gevallen.
Belangrijk is dat iedere patiënt anders is. Statistieken zijn nuttig om een globaal idee te geven, maar ze bepalen niet jouw individuele uitkomst. Iemand met non-Hodgkin kan het nét zo goed uitstekend doen dankzij nieuwe behandelingen, en iemand met Hodgkin kan complicaties ervaren – het blijft maatwerk. De medische wetenschap boekt voortdurend vooruitgang, waardoor de vooruitzichten voor zowel Hodgkin als non-Hodgkin blijven verbeteren.
Het antwoord op de vraag “Wat is beter te behandelen, Hodgkin of non-Hodgkin?” is dus: Hodgkin-lymfoom is in het algemeen beter te behandelen dan de meeste non-Hodgkin-lymfomen. Maar beide ziekten zijn behandelbaar en er is hoop. Welke behandeling het beste is, en hoe de prognose voor jou persoonlijk eruitziet, zal de arts met je bespreken aan de hand van jouw specifieke situatie. Vertrouw op de expertise van je artsen en stel al je vragen – zij zijn de beste bron van informatie als het om jouw gezondheid gaat.
Referenties
- Hematologie Groningen – Hodgkin-lymfoom / ziekte van Hodgkin. (Zeldzame vorm van lymfeklierkanker die bij de grote meerderheid van de patiënten volledig te genezen is).
- Hematon – Vooruitzichten bij Hodgkinlymfoom. (Patiëntenorganisatie, overlevingskans ~90% en levensverwachting na succesvolle behandeling).
- Medicijnen.nl – Lymfeklierkanker: het verschil tussen Hodgkin en Non-Hodgkin. (Blogartikel, uitleg over indeling, symptomen en behandeling).
- St. Antonius Ziekenhuis – Informatie Hodgkin- en non-Hodgkinlymfoom. (Ziekenhuisinformatie, verschil in celtype en >30 subtypen non-Hodgkin; behandeling vaak chemo + immunotherapie).
- Kanker.nl – Overlevingscijfers van hodgkinlymfoom. (Nederlandse Kankerregistratie, 5-jaarsoverleving ~88%).
- Kanker.nl – Overlevingscijfers van agressief non-hodgkinlymfoom. (5-jaarsoverleving ~63%; 10-jaar ~53%).
- Kanker.nl – Overlevingscijfers van indolent non-hodgkinlymfoom. (5-jaarsoverleving ~86%; 10-jaar ~74%).
- Volksgezondheid en Zorg (RIVM) – Overleving non-hodgkinlymfomen toegenomen. (Gemiddelde 5-jaarsoverleving gestegen naar 75% in 2016-2020 door betere behandelingen).










